Matthijs C. de Jonge



Drie uur eerder

Ze trippelde de voordeur uit.

Een paar huizen verderop zag ze de mannen uit de straat in tuinstoelen zitten. Ze dronken bier en maakten grappen. Even overwoog ze de andere kant op te lopen, maar ze besloot vandaag flink te zijn. Wat kon het haar ook schelen. Ze trok haar truitje recht, schudde met haar hoofd en ging op weg.

Het huis van Leerdam. Een stapel bakstenen onder het keukenraam. Leerdam was aan het verbouwen.

Helgers. De voordeur stond open. Ze zag speelgoed in de gang liggen: een bal, een springtouw en een emmer stoepkrijt. Onder de kapstok stond een rij kinderlaarsjes en de afgetrapte sportschoenen van Bert.

Toen Kersten. Daar hadden de mannen zich verzameld. Helgers hing er achterover in een plastic tuinstoel met een flesje bier tegen zijn buik geklemd te luisteren naar Koppelman van vier huizen verderop, die een schuine mop vertelde. Leerdam en die ene waarvan ze de naam niet wist, zaten aan elkaars t-shirts te trekken en schreeuwden.

Varkens.

Zo vlug als ze kon, liep ze er voorbij. Het getik van haar hakjes op de stoeptegels werd alleen opgemerkt door Helgers, die zich even naar haar toe draaide en haar kort toeknikte. De anderen deden alsof ze haar niet zagen, maar ze wist dat ze haar allemaal vanuit hun ooghoeken aan het beloeren waren. Als hun vrouwen en kinderen niet in de buurt waren geweest (die zaten bij het klimrek aan het einde van de straat), hadden ze ongetwijfeld op hun vingers gefloten en schunnige opmerkingen gemaakt, dat wist ze zeker.

Beleefd knikte ze terug.

Toen liep ze zo snel ze kon weer verder. Hoe eerder ze bij die smeerlappen vandaan was hoe beter. Woest stapte ze voort en als ze het had kunnen doen zonder die vieze kerels te plezieren met op en neer wippende borsten en billen, had ze het op een rennen gezet.

De hakken van haar laarsjes, echter, vijftien centimeter lang en zo dun als kindervingertjes, hadden met haar huidige tempo al moeite genoeg. Slechts een paar passen had ze gezet toen de linker onder het geweld van haar stappen bezweek. Haar voet klapte onder haar been weg en ze viel achterover op de grond. Woedend probeerde ze zichzelf weer op te richten. Terwijl ze dat deed, voelde ze echter hoe de naad van haar spijkerbroek openscheurde. Ze begon te huilen. Nu kregen die kerels haar blote kont nog te zien ook!

Die kerels waren inmiddels stilgevallen. Eén was er zelfs naar haar toe gerend om maar niets te hoeven missen. Helgers, zeker. Dat was immers de ergste.

Maar het was Koppelman. Een meter stond hij achter haar en hij stak z’n hand uit.

- Gaat het? vroeg hij.