Matthijs C. de Jonge



Tomatenbeleg

Het was een zonnige dag, het was tijd voor de lunch, er was nog wat brood en wat kaas en er lag zegge en schrijve één miezerig tomaatje in de fruitschaal op het werkblad in de keuken tegenover het rommelhok. Hoe daar nu voor zowel mevrouw als meneer Rommelhok een middagmaal van te bereiden? Meneer Rommelhok pijnigde zijn hersens en kwam uiteindelijk tot de volgende oplossing: hij kookte de tomaat stuk, goot wat water bij de prut (maar niet teveel – het moest immers nog wèl ergens naar smaken) en gooide de prut door een zeef om de zaadjes en de velletjes eruit te halen. Het gezeefde papje ging toen weer terug in de pan om er een handjevol gescheurde blaadjes basilicum, afkomstig van het plantje dat al een week in de vensterbank stond te zieltogen (inmiddels vervangen door wat nog het beste te omschrijven is als een compleet oerwoud van het spul op het dakterras) hun smaak aan te laten afgeven. Daarvoor was een halve minuut koken voldoende. Vervolgens ging de boel weer door de zeef (de blaadjes moesten eruit) en toen opnieuw in de pan.

Waarom?

Om er een paar (twee) blaadjes gelatine in op te lossen. Toen dat eenmaal gebeurd was, goot meneer Rommelhok het spul uit over een velletje bakpapier en toverde het, dankzij het wonder van het natuurkundige verschijnsel van de oppervlaktespanning (en de koelkast) om tot een plakje broodbeleg van ongeveer vijftien centimeter doorsnee. Uitstekend geschikt voor een eenvoudig maar toch opmerkelijk middaghapje.