De oplettende lezer zal hebben opgemerkt dat er hier nu al meer dan een maand geen stukje meer verschenen is, en dat terwijl de maanden November en December traditiegetrouw de maanden zijn waarin er bij uitstek veel geprutst wordt in de keuken.
Wat is er gebeurd? Dat zal ik u vertellen.
Zowel meneer als mevrouw Rommelhok hanteren de stelregel dat alles dat ergens ter wereld door iemand in zijn mond gestopt wordt om de honger te stillen, in principe eetbaar is en dat het feit dat niet iedereen evenveel geniet van bepaalde etenswaren als een niet terzake doend detail moet worden beschouwd.
Op die stelregel maken zij twee uitzonderingen. Meneer Rommelhok vindt spruitjes varkensvoer terwijl mevrouw Rommelhok gedroogde zuidvruchten, zoals rozijnen, krenten en gedroogde abrikozen, beweert niet te, zoals dat heet, lusten.
Eerder hebt u kunnen lezen hoe meneer Rommelhok zijn aversie tegen die smerig bittere mislukte prutskooltjes inmiddels opzij heeft leren zetten. Hij vindt ze nog steeds niet lekker, maar hij eet ze tenminste, iets dat mevrouw Rommelhok, die ze juist wèl zeer appetijtelijk vindt, met vreugde vervult.
Mevrouw Rommelhok, daarentegen, heeft tot nu toe altijd geweigerd van haar irrationele afkeer van gedroogd fruit af te komen, zelfs niet om meneer Rommelhok, die graag couscous met rozijnen eet, te plezieren. Omdat die weigering een nogal zware belasting legde op het huwelijk van meneer en mevrouw Rommelhok, besloot ze begin november dat ze meneer maar eens tegemoet moest komen en alsnog een poging te wagen een hap rozijnen of iets dergelijks naar binnen te werken zonder te kokhalzen.
Dat kwam meneer Rommelhok goed uit. Hij had namelijk net vernomen dat het internet-event voor voedselbloggers, They Go Really Well Together (”Dat gaat heel goed samen”) deelnemers opriep in de maand November een gerecht inelkaar te flansen waarin abrikozen en cantharellen een hoofdrol spelen. Meneer Rommelhok dacht bij die combinatie onmiddellijk aan een confituurtje (fijngehakt spul langzaam opgebakken in ruime hoeveelheden vet), te serveren bij wat couscous en salade en na lang soebatten verklaarde mevrouw Rommelhok zich bereid, als het echt moest, een poging te willen wagen over haar irrationele angst voor gedroogd fruit heen te stappen.
Hoopvol (’t was immers nog niet zo lang geleden dat Barack Obama de Amerikaanse presidentsverkiezingen had gewonnen) toog meneer Rommelhok naar de markt. Vol goede moed kocht hij daar cantharellen (tamelijk duur, deze tijd van het jaar) en abrikozen (in November echt alleen maar gedroogd te krijgen). Daarna schafte hij bij de slijterij een paar huizen verderop een fles chardonnay uit zuidelijke streken aan (die heet een beetje naar abrikozen te smaken) en maakte hij een prutje bestaande uit gekarameliseerde uien, fijngehakte abrikozen en cantharellen. Dit prutje schepte hij op een bergje liefdevol gestoomde couscous dat hij had omringd met wat tomaten voor de vitamientjes en serveerde hij tezamen met de wijn en met een mooi muziekje op een door hem speciaal voor deze gelegenheid feestelijk met kaarslicht en fraaie servetten gedekte tafel.
Terwijl meneer vol trots afwachtte op wat komen ging, schuifelde mevrouw argwanend naderbij. Ze snoof eens voorzichtig en zette zich toen zuchtend aan tafel. Mistroostig prikte ze met haar vork een paar keer in het door meneer zo zorgvuldig samengestelde gerecht. Toen slaakte ze een diepe zucht.
- Ik heb niet zo’n honger, geloof ik.
Om haar woorden kracht bij te zetten, sprong ze op rende naar de wc om over te geven.
Meneer Rommelhok bleef alleen, en zeer, zeer teneergeslagen achter.