Tien jaar geleden was het als modebewuste hobbykok welhaast verplicht Oosterse en Westerse ingrediënten doorelkaar te smijten en het resultaat te presenteren als “Fusion-voedsel”. Gode zij gedankt gebeurt dat tegenwoordig alleen nog maar in de provincie, zoals bijvoorbeeld in de keuken tegenover het rommelhok (die ligt in Nijmegen).
Daar had meneer Rommelhok namelijk zeebaars, zeekraal en tomaten in huis gehaald om daaruit een maaltijd samen te stellen. De zeebaars ging, dat was evident, na een kort avontuur in een braadpan om ‘m een krokant korstje te geven, zachtjes nagaren in de oven, de zeekraal mocht, dat was eveneens evident, samen met de tomaten voor salade spelen maar wat voor koolhydraten daar dan bij te serveren, welnu, dat was wat minder evident.
Uiteindelijk besloot meneer Rommelhok de maaltijd aan te vullen met risotto (rijstepap op Italiaanse wijze). Normaal gesproken maak je dat door rijst van een speciale soort (op het pakje staat welke je moet hebben) een minuut of 25 op hoog vuur te koken in een mengsel van bouillon en witte wijn, waarbij je steeds een klein beetje vocht toevoegt en wacht totdat dat bijna verdampt is voordat je er weer nieuw vocht bij giet.
Bouillon was gauw gevonden (met vissmaak, van zo’n blokje). Wijn was echter niet voorhanden, en dat was jammer want zonder de, zogezegd, zure toets daarvan wordt risotto vaak een nogal zware hap. Meneer Rommelhok ging daarom in één van de twee keukenkastjes die hij rijk is op zoek naar iets dat als vervanger kon dienen maar uiteraard pas nadat hij de rijst in de pan had gegooid om in een beetje boter alvast wat voor te poffen (daardoor smelt de rijst beter samen met de saus) met als gevolg dat toen hij eindelijk een substituut voor witte wijn had gevonden de rijst inmiddels wat bruine vlekjes was begonnen te vertonen.
Bruin is echter geen zwart. Onverstoorbaar goot meneer Rommelhok daarom een flinke scheut van het door hem opgedoken substituut in de pan en maakte toen een enorme sprong naar achter toen dat substituut onmiddellijk enorm heftig begon te koken. Na slechts een paar seconden was bijna al het vocht eruit verdampt waarna er een dikke siroop overbleef die in een stevig tempo aan het karameliseren sloeg. Meneer Rommelhok, in het oplossen van door hemzelf veroorzaakte culinaire rampen inmiddels enigszins geoefend, pakte zonder verder te verblikken of te blozen de maatbeker met visbouillon en bluste met de inhoud daarvan de inmiddels snel vervaarlijk donker wordende massa.
Vervolgens proefde hij voorzichtig het resultaat van de zojuist in de kiem gesmoorde bijna-explosie. Dat viel bepaald niet tegen. Het substituut dat hij had gebruikt, te weten zoete Japanse rijstwijn (mirin), was tijdens de op het nippertje afgewende ramp namelijk uitelkaar gevallen in duizenden verschillende smaakstoffen en die duizenden smaakstoffen waren elk een volkomen eigen en zeer plezierig huwelijk aangegaan met de nogal ziltige (want afkomstig uit een blokje) visbouillon. Het resultaat was een risotto waarvoor een Italiaan waarschijnlijk zijn neus zou ophalen, maar die meneer Rommelhok, en later ook mevrouw Rommelhok, niet geheel onbekend met Oosterse keukens waarin op weinig subtiele wijze heftige zouten, zuren en zoeten gecombineerd worden tot voor westerse smaakpapillen onverdraaglijke smaakexplosies*, bepaald niet onprettig vond.
De op de hierboven beschreven wijze per ongeluk gecreëerde fusion-risotto diende meneer Rommelhok op met de zeekraal, de tomaten en de zeebaars en hoewel hij zich nogal schuldig voelde dat-ie het voor wat betreft culinaire trends dus kennelijk niet verder had weten te schoppen dan negentienhonderdnegenennegentig, moest-ie toegeven dat-ie eigenlijk in geen tijden zo ontzettend lekker gegeten had. Hij kan u dan ook van harte aanraden ook zelf eens iets anders dan witte Italiaanse landwijn in uw risotto te gieten.
* over de avonturen van mevrouw Rommelhok en één van de meest afschrikwekkende keukens die Azië rijk is een andere keer meer