Het valt mee
12 juni 2010Het valt mee. Weliswaar hebben de bruinhemden van de PVV anderhalf miljoen stemmen gekregen en is de grootste partij in de tweede kamer de nogal conservatieve Volkspartij voor Vrijheid en Democratie geworden, de schade had erger kunnen zijn. De uitslag maakt immers een werkelijk conservatief kabinet, van VVD, CDA en PVV, onmogelijk (al was het maar omdat die steunt op een meerderheid van slechts één zetel, en wel eentje die toebehoort aan de dissidente PVV-er Hero Brinkman). Ook een laf liberaal kabinet van partijen die elkaar alleen maar kunnen vinden als het erom gaat de invloed van de overheid verder te beperken zonder zich verder druk te maken om de gevolgen die hun besluiten gaan hebben op de langere termijn (Paars) is uitgesloten. De enige mogelijkheid is een kabinet van nationale eenheid bestaande uit vrije markt-denkers (de linkervleugel van de VVD en D’66), weinig bevlogen maar tamelijk integere vertegenwoordigers van het maatschappelijke middenveld (de PvdA) en trendgevoelige kosmopolieten (GroenLinks). Dat had een stuk erger gekund.
Al met al ben ik dan ook, ondanks het feit dat anderhalf miljoen van mijn landgenoten zich hebben laten verleiden hun stem te geven aan een door voortdurende media-aandacht waanzinnig geworden vreemdelingenhater, over de uitslag van de tweede-kamerverkiezingen van 2010 gematigd tevreden gestemd.
Al sluit ik niet uit dat ook in 1933 er weldenkende Duitsers waren die zich op dezelfde manier een groot glas rijnwijn inschonken om te vieren dat de NSDAP slechts dertig procent van de stemmen had weten te behalen.
Waarom het paleo-dieet niet het zoveelste onnozele modedieet is
30 april 2010Wie zo af en toe iets leest over voedsel heeft misschien opgemerkt dat het zogenoemde “paleo-dieet”, waarbij je probeert het voedingspatroon van jagers en verzamelaars uit het Paleolithicum te simuleren, nu nogal in de mode is. Er verschijnen artikelen over in damesbladen, internet-fora over voedsel worden bestookt door fanatieke aanhangers en in de Telegraaf propageert een heuse dokter een afvalmethode die misschien niet zo heet maar er toch enorm veel van wegheeft.
Om over alle weblogs waarop dolgelukkige aanhangers minutieus bijhouden hoeveel ze erdoor zijn afgevallen nog maar te zwijgen.
Het is dan ook te begrijpen dat nuchtere geesten de verleiding niet kunnen weerstaan het dieet weg te zetten als de zoveelste modegril en zijn aanhangers als nare, vervelende sektariërs die geen gelegenheid onbenut laten hun evangelie op luide toon te verkondigen.
En, eerlijk is eerlijk, daar maken die aanhangers het wel een beetje naar. Te pas en te onpas roepen die namelijk dat de gevestigde voedingswetenschap het bij het verkeerde eind heeft, dat de gehele menselijke geschiedenis van de afgelopen tienduizend jaar feitelijk één grote vergissing is geweest en dat de mensheid zichzelf geen betere dienst kan bewijzen dan zijn steden en landbouwgronden te verlaten om weer op bessen en groot wild te gaan jagen op de laagvlakten van Zuidelijk Afrika.
Dat ze vervolgens ook nog eens allemaal rare dingen doen, zoals ontbijten met enorme lappen vlees, blootsvoets hardlopen over de met glasscherven en spijkers bezaaide trottoirs van de binnenstad en maandelijks een paar liter bloed doneren om het effect te simuleren van een ongelukkige aanvaring met de slagtanden van een boos geworden sabeltandtijger maakt het er niet beter op.
Het is dan ook niet meer dan begrijpelijk dat het dieet een beetje in een kwade reuk is komen te staan.
Toch is het in de grond van de zaak helemaal zo gek nog niet. Feitelijk houdt het namelijk niet meer in dan dat je industrieel geproduceerd voedsel, zoals kant-en-klare hamburgers, diepvriespizza’s en frisdrank in de ban doet en in plaats daarvan dingen eet die ook door natuurvolkeren herkend worden als voedsel, zoals vlees, fruit en verse groente. De reden hiervoor is dat aanhangers van het paleo-dieet terecht constateren dat jagers en verzamelaars bijna zonder uitzondering gezonder zijn dan wij (mits ze niet in hun vroege jeugd ten prooi vallen aan ziektes, roofdieren of andere jagers en verzamelaars) en vervolgens het vermoeden uitspreken dat dat komt omdat ze zich in tegenstelling tot moderne Westerlingen niet te buiten gaan aan kant-en-klare hamburgers, diepvriespizza’s en frisdrank.
Een andere reden waarom jagers en verzamelaars gezonder zijn dan wij is dat ze meer bewegen. De hoeveelheid beweging die ze krijgen, moet nu ook weer niet overdreven worden (ook een holbewoner zit het liefste de hele dag op zijn luie gat) maar het valt niet te ontkennen dat jagers en verzamelaars ook op hoge leeftijd nog in staat zijn zware voorwerpen te versjouwen, in bomen te klimmen en een flink stuk hard te lopen, iets dat voor moderne stadsbewoners ouder dan, pak hem beet, een jaar of twintig, een enorme opgave is. Aanhangers van het paleo-dieet raden dan ook aan om een paar keer in de week aan krachttraining te doen, regelmatig een flink stuk te wandelen en om zo af en toe een stevig sprintje te trekken om het effect te simuleren van een jager die voor zijn leven moet rennen omdat-ie achterna gezeten wordt door een woedende oeros.
Ten slotte constateren aanhangers van het paleo-dieet, ook niet geheel ten onrechte, dat wat sinds de uitvinding van de landbouw ons basisvoedsel is geworden, te weten graan en peulvruchten, lang zo gezond niet is als wij denken. Niet alleen zitten daar nauwelijks vitaminen en mineralen in maar ze bevatten ook nog eens allemaal min of meer giftige stoffen die ervoor zorgen dat je ze lang kunt bewaren maar die voor ons spijsverteringssysteem op zijn minst niet erg gezond zijn. In de meeste varianten van het paleo-dieet eet je daarom geen brood, pasta of rijst maar haal je je calorieën uitsluitend uit groente, vlees, en, vooral, verzadigd vet zoals reuzel of boter.
Zo bezien is het paleo-dieet eigenlijk niets meer dan een doodgewoon gezond leefpatroon en valt het heel goed te begrijpen dat mensen die het volgen ervan afvallen en zich er beter door gaan voelen.
En dat er aanhangers van zijn die de voedingsmiddelenindustrie beschouwen als één grote samenzwering die gericht is op het vernietigen van onze gezondheid, ach, dat kun je maar het beste negeren. Idioten heb je immers overal.
Bohumil Hrabal is Marjolein Bastin zonder plaatjes
28 maart 2010In de ramsj liggen nu nogal wat boeken van de Tsjechische schrijven Bohumil Hrabal, twee jaar geleden per ongeluk uitgegeven toen er ten onrechte gedacht werd dat vanwege z’n tiende sterfjaar (hij donderde, al dan niet opzettelijk, uit het raam van een bejaardenflat in Praag) de belangstelling voor zijn werk zou toenemen.
Onbetwist hoogtepunt uit dat voor afbraakprijzen verkochte oeuvre is de novelle “Gekortwiekt”, over een vrouwelijke losbol die in een brouwerij in een Moravisch dorp allerlei avonturen beleeft (de scène waarin ze tijdens de varkensslacht de slager over de binnenplaats achternazit om z’n gezicht met bloed in te smeren is meesterlijk).
Iets minder geslaagd is de bundel “Praagse Ironie” waar ik mij sinds deze week doorheen worstel.
In zijn nadagen produceerde Hrabal (op zijn minst is hij de schrijver met de indrukwekkendste naam uit de literatuurgeschiedenis) stukken tekst die op zijn vriendelijkst gezegd niet veel meer zijn dan op schrift gesteld dronkemansgezwets (Hrabal zoop als een tempelier. Voordat hij in een bejaardenhuis werd opgesloten, was het een gekende Praagse toeristische attractie om zijn stamkroeg te bezoeken en hem daar, wankelend van de alcohol, met dubbele tong zijn teksten te zien voordragen).
Één van die stukken is het in “Praagse Ironie” opgenomen verhaal “Autootje”, over zijn dwangmatige liefde voor katten.
Daarin beschrijft hij hoe hij zijn huisje in Praag en ook het buitenhuis waar hij zijn vrije tijd doorbracht, volstouwt met katten. Tot wanhoop van zijn vrouw neemt hij elke zwerfpoes die bij hem komt aanzetten liefdevol op, geeft ‘m te eten en laat ‘m op zijn bed slapen. Buitengewoon aandoenlijk beschrijft hij hoe elk van die beestjes een plaats verovert in zijn huishouden en hem met een welhaast transcendente liefde overstelpt. Dat hij zich af en toe gedwongen ziet een nestje jonge katjes af te maken (door het in een bruine juten zak te stoppen en die met grof geweld tegen een berk of den kapot te slaan) waardoor hij uiteindelijk tot gekmakens toe door schuldgevoel wordt verteerd, maakt het verhaal niet minder een overdonderend overzicht van alle redenen waarom mensen zich ueberhaupt aangetrokken voelen tot katers en poezen.
Grote literatuur verandert je kijk op de wereld om je heen. Dat ikzelf sinds de lezing van het verhaal “Autootje” niet helemaal op dezelfde manier naar onze eigen poezen Flip en Poekie kijk als daarvoor, doet vermoeden dat Bohumil Hrabal er ondanks zijn bovenmatige drankgebruik in ieder geval een enkele keer in zijn leven in is geslagen daarbij in de buurt te komen.